Otto B. de Kat (1907-1995)

RKD STUDIES

2.4 De Kat en de kunstkritiek

‘Nu ik dit gezien heb, kan ik weer strijden, kan ik weer mensch zijn en lachen om en tegen dat onbegrepen geknoei van allerlei geestlooze “isme”-maniakken hier in Holland’. Dit schreef Ernest Michel in een van de vroegste aan De Kat gewijde recensies. De katholieke schrijver Michel maakte aan het eind van de jaren twintig in Haarlem kennis met De Kat, via Hans van Zijl. Uit deze tijd dateert ook een portret van hem dat De Kat in 1929 vervaardigde . Omdat het werk van De Kat gematigd-modern was, is het niet verwonderlijk dat het in de smaak viel bij Michel, die een uitgesproken afkeer had van de experimenten van de avant-garde. Hij waardeerde De Kats weergave van het licht, de levendigheid van figuren en de overdachte manier van werken. In 1933 exposeerde De Kat zowel in Den Haag als Haarlem en beide tentoonstellingen trokken aandacht van de pers. Opvallend is dat in recensies wordt opgemerkt dat de ‘jonge kunstenaar’ nog duidelijk zoekende is naar zijn eigen stijl, al is zijn ontwikkeling veelbelovend.

In 1938, toen De Kat bij Kunsthandel De Bois in Haarlem tentoonstelde, leek zijn werk aan helderheid en overtuigingskracht gewonnen te hebben. Een recensent merkt op dat de kleur minder vlak is en meer volume suggereert. De ontwikkeling van de laatste vijf jaren evaluerend, concludeert hij: ‘Er is minder, op voorbeelden steunende vooropzettelijkheid en- we spreken van de portretten- meer vrijheid in de mise-en-page, die, zooal niet moedwillig, weleens gekunsteld of te kunstelijk aandeed, evenals het beloop der sindsdien verlaten contouren, een zeker maniërisme van de lijn, Fransch georiënteerd’. De voorbeelden die De Kat bewonderde en van wie de invloed op zijn eigen werk aanwijsbaar was, komen in deze vroege kunstkritieken steeds bovendrijven: Verwey, Vuillard, Bonnard, Derain, Redon. In de kritieken wordt steeds de hoop of verwachting uitgesproken dat De Kat zijn eigen stijl zal vinden. Volgens een van de invloedrijkste kunstcritici van Nederland op dat moment, W. Jos de Gruyter, blijft De Kats werk echter ook nog in 1946 voornamelijk beloftevol. Hij noemt zijn werk ‘niet zeer persoonlijk’, maar wel ‘immer frisch, gevoelig en gekund’. Overigens zag hij meer verwantschap met de Brabantse fauvisten (met name Rik Wouters) dan met de Fransen.

Zoals het werk van De Kat zich kenmerkte door bescheidenheid, harmonie en weloverwogenheid, zo zijn doorgaans de kritieken op zijn werk en ontwikkeling van een vergelijkbare aard. Men prijst het vakmanschap, het zuidelijke kleurenpalet en de rust die uit zijn werk spreken, maar is niet blind voor de geconstateerde minpunten: de weergave van de menselijke figuur, het volharden in traditionalisme en het gebrek aan levendigheid en originaliteit. In een recensie van de expositie bij Van Lier in 1951 constateerde C. Doelman dat De Kat ‘dan toch nu in een stadium komt, waarin hij zich sterker gaat exponeren en als vanzelf het vaarwater voor een nieuwe koers ontdekt’. Hij roemt zijn vrijheid van penseelvoering en expressiviteit, en noemt verder als vernieuwing: ‘vastere bouw en de uitdrukking van diepere menselijke gevoelens’. Intiem en beschaafd werk als dat van De Kat gaf uiteraard zelden of nooit aanleidingtot zware kritiek of hevige discussie. Veel voorkomende kwalificaties van zijn werk zijn onder meer discreet, rustig, gedistingeerd, charmant, bedachtzaam, fijnzinnig en verfijnd. Een zeldzame ironische frase duikt op in de inleiding van een recensie van L.T. uit 1961: ‘Het werk dat Otto B. de Kat in de Lakenhal te Leiden exposeert is burgerlijk werk. Het ruikt naar tabak, goed zittende, maar lang gedragen pakken, naar herenreukwerk en de gegoede stand. De rumoeren van de wereld zijn onbekend in zijn kringen en men is er graag artistiek bezig. Er wordt gemusiceerd, er komen dure tijdschriften in huis en het verkeer is er aangenaam. Zijn werk loopt dan ook een goede kans om in het geheel niet gezien te worden’. Overigens is de recensent verder lovend over De Kat.

Ongezien zou het werk van De Kat echter niet blijven. In 1962 vond een belangrijke tentoonstelling plaats van zijn werk in De Waag in Nijmegen. Diverse critici merkten een vrijere expressie en een bondiger synthese op in zijn recente werk, dat vooral in Kopenhagen en Luik ontstaan was en waarin de invloed van Albert Marquet was te bespeuren. Zijn collega Bob Buys merkte in hetzelfde jaar terecht op dat de lijn in De Kats werk een voornamere plaats had gekregen, naast de kleur . Sinds de jaren zestig waarin zijn kunstenaarschap als volwassen werd gezien, en De Kats reputatie mede door zijn hoogleraarschap was gegroeid, valt er in de kunstkritiek geen onvertogen woord meer over zijn werk. De aanvankelijke twijfels over de originaliteit van zijn kunst en de weg die hij zou gaan bewandelen, hadden plaats gemaakt voor bewondering en respect. De Kat werd gezien als een belangrijke Nederlandse kunstenaar, die op eigen kracht de (Franse) moderne kunst had doorleefd en verwerkt in zijn oeuvre. Vandaar ook dat Mathilde Visser in 1981 ‘herkenbaarheid’ tot de kern van zijn werk verklaarde: ‘De stijl van Otto de Kat is altijd herkenbaar door eenvoud, finesse en soberheid’. Aan deze interpretatie is in het tijdperk daarna weinig tot niets veranderd.

Otto B. de Kat
Stilleven van appels op een groen bord, ca. 1930-1935
Private collection

Otto B. de Kat
"Déjeuner", 1948 gedateerd
Zutphen, Museum Henriëtte Polak, inv./cat.nr. H.P. 8

Otto B. de Kat
Kade in Kopenhagen met meisje en matrozen, 1961 gedateerd
Private collection

Otto B. de Kat
Stilleven met citroen op zwart kleed, 1968 gedateerd
Private collection